De oorzaak van het oogprobleem ligt in de hersenen

Cerebraal visuele stoornissen (CVI) na vroeggeboorte

Door Dr. C.J.A. Geldof, gezondheidszorgpsycholoog/neuropsycholoog, verbonden aan Visio Revalidatie en Advies, Expertisecentrum voor slechtziende en blinde mensen.

Wat is CVI?

Cerebraal visuele stoornissen (CVI) is een verzamelnaam voor visuele stoornissen waarvan de oorzaak niet in de ogen maar in de hersenen (cerebraal) ligt. In zeldzame gevallen kan een ernstige hersenbeschadiging tot blindheid leiden. Veel vaker is de detailwaarneming of het gezichtsveld beperkt, of is er een stoornis in de waarneming van de beelden. Een stoornis in de visuele waarneming kan leiden tot moeite met het opmerken van iets in een visueel drukke omgeving, met de herkenning van objecten of gezichten, of met het waarnemen van ruimtelijke verhoudingen.

Omdat CVI een verzamelnaam is, kan het type waarnemingsprobleem en de mate van ernst erg verschillen. In een wetenschappelijk onderzoek onder 136 kinderen geboren voor de 32 weken zwangerschap, werd op vijfjarige leeftijd gezien dat ze 3,8 keer zo vaak als op tijd geboren kinderen een visuele stoornis hadden die binnen de verzamelnaam CVI paste. De premature kinderen met CVI hadden vaker complicaties in de couveusetijd gehad, maar hadden niet vaker een vorm van ontwikkelingsondersteuning nodig (motorisch, logopedisch, didactisch of psychologisch). Mogelijk was de CVI bij deze onderzoeksgroep niet dermate ernstig dat het beperkingen in het dagelijks leven opleverde.

Wanneer kan de kinderarts aan CVI denken?

– Als een kind problemen heeft met zien, terwijl de oogarts geen afwijkingen in het oog heeft gevonden.
– Als een kind een hersenbloeding of -beschadiging heeft in het gedeelte van de hersenen dat betrokken is bij het zien.
– Als er tijdens de follow-up of bij het leren op school opvalt dat een kind bij visuele opdrachten veel minder presteert dan bij andere taken.

Waarom kunnen prematuur geboren kinderen CVI krijgen?
Een vroeggeboorte vindt plaats in het derde trimester van de zwangerschap, juist als de hersenen een grote ontwikkeling doormaken. Zenuwcellen groeien naar hun definitieve plaats in de hersenen en vormen netwerken door verbindingen met elkaar te vormen. Dat proces wordt verstoord door complicaties die kunnen optreden na een vroeggeboorte, zoal schommelingen in de bloeddruk en de zuurstofvoorziening van het bloed en periodes van ziekte in de couveusetijd. Wanneer er daardoor beschadigingen ontstaan in de visuele hersengebieden, kunnen er later in de ontwikkeling visuele problemen ontstaan.

Hoe wordt CVI vastgesteld?

Wanneer een kind niet goed lijkt te zien, vindt er altijd onderzoek door een oogarts en/of orthoptist plaats om het functioneren van het oog te bekijken en zo nodig te behandelen. Prematuur geboren kinderen hebben bijvoorbeeld vaker een bril nodig en hebben vaker last van scheelzien dan hun op tijd geboren leeftijdsgenoten. Ook worden de zogenaamde visueel sensorische functies (zoals detail- en contrastwaarneming, kleuren zien en het gezichtsveld) onderzocht.

Wanneer er aanwijzingen zijn voor beschadiging in de visuele hersengebieden en/of wanneer het onderzoek bij de oogarts de visuele problemen onvoldoende kan verklaren, volgt er een neuropsychologisch onderzoek bij één van de expertisecentra voor slechtziende en blinde mensen (Visio of Bartiméus) naar de visuele aandacht en perceptiefuncties (zoals de selectieve aandacht, objectwaarneming en ruimtelijke waarneming).

Het onderzoek bestaat uit ‘kijktaken’ waarbij kinderen meestal figuren of plaatjes moeten aanwijzen of zoeken. Soms wordt aanvullend (neuro)psychologisch onderzoek gedaan om alternatieve verklaringen voor de visuele problemen uit te sluiten, zoals aandachtstoornissen, een autisme spectrum stoornis of een ontwikkelingsachterstand. Op basis van alle onderzoeksuitkomsten wordt beoordeeld of er sprake is van CVI en of de ernst dermate is dat begeleiding zinvol is.

Voor die afweging is samenwerking nodig tussen een oogarts/orthoptist en een neuropsycholoog die CVI als speciaal aandachtsgebied hebben. Vaak vindt de afweging plaats in een multidisciplinair team. Er zijn nog geen algemene criteria voor het stellen van een diagnose CVI. Eind 2018 verschijnt naar verwachting de eerste multidisciplinaire richtlijn over CVI, die ontwikkeld wordt in opdracht van het Nederlands Oogheelkundig Gezelschap (NOG).

Op basis van een MRI-scan van de hersenen is niet nauwkeurig te voorspellen of een kind CVI zal ontwikkelen. Soms is er wel een vermoeden als er schade in de visuele hersengebieden te zien is. Ook is het bij kinderen soms nog niet duidelijk of het zien zich goed zal ontwikkelen, omdat verschillende visuele functies zich ontwikkelen tot twaalfjarige leeftijd. Een grote ontwikkeling is al op jonge leeftijd op te merken: baby’s gaan steeds alerter om zich heen kijken en jonge kinderen merken meer details op en leren om grotere gehelen te overzien. Vanaf ongeveer drie jaar zijn de visueel sensorische functies betrouwbaar te onderzoeken. Vanaf ongeveer vijf jaar is het mogelijk om de visuele aandacht en perceptie te onderzoeken. In geval van heel ernstige visuele problemen wordt soms op jongere leeftijd al een vermoeden van CVI uitgesproken.

Wat betekent CVI voor de ontwikkeling van mijn kind?

In het algemeen is kijken vaak vermoeiend voor kinderen met CVI, net als voor veel slechtziende kinderen. Zeker als er op school steeds meer visueel (detail)werk gedaan wordt, kunnen kinderen met CVI moeite hebben om het tempo bij te houden en kost zien opvallend veel energie. De begeleiding van de centra voor visuele revalidatie zal gaan zoeken naar visuele aanpassingen om het kijken te vergemakkelijken en/of alternatieve strategieën gaan trainen. Dat is vaak maatwerk, maar het kan de visuele hinder en bijkomende vermoeidheid aanzienlijk verminderen bij een goede match tussen de aanpassingen en de aard van de CVI.

Er is nog geen gericht wetenschappelijk onderzoek gedaan naar de gevolgen van CVI voor de verdere ontwikkeling van kinderen. Ook zijn er geen trainingen waarvan bewezen is dat ze CVI kunnen verminderen of verhelpen. Sommige kinderen bij wie op jonge leeftijd CVI gezien is, lijken er later in de kindertijd overheen te groeien, terwijl andere kinderen de kenmerken (en visuele klachten) houden. Ook zijn er kinderen die over de CVI heen groeien, maar wel andere begeleiding nodig hebben vanwege een leerprobleem. Daarom wordt het onderzoek naar CVI vaak op gezette tijden herhaald en de doelmatigheid van de begeleiding geëvalueerd.

Reacties

reacties

Voor ouders

Heb je of krijg je binnenkort een kindje dat op afdeling Neonatologie of een NICU wordt opgenomen? Je staat er niet alleen voor!

lees meer

Voor familie en vrienden

Een kraamvisite in het ziekenhuis gaat anders dan je gewend bent. We geven je graag wat tips en kadoideeën.

lees meer

Voor professionals

We bundelen onze krachten met zorgverleners in het Neokeurmerk. Hiermee maakt je ziekenhuis of afdeling inzichtelijk hoe hoog de kwaliteit van zorg is. Bezoek de speciale website voor meer informatie.

lees meer
Donatiebedrag in €:
0