Door Dr. Mirjam M. van Weissenbruch, kinderarts-neonatoloog, VU medisch centrum

De zwangerschap is voor moeder en kind een indrukwekkende, betekenisvolle maar ook kwetsbare periode. Moeder en de ontwikkelende foetus stemmen als vanzelfsprekend zo goed mogelijk alles op elkaar af. Tijdens de zwangerschap treedt er bij de foetus niet alleen groei, maar ook ontwikkeling van de verschillende organen op. Tijdens minder gunstige omstandigheden in de baarmoeder, veroorzaakt door omgevingsinvloeden, zal de foetus hierop reageren door zich aan te passen. De aanpassingen die op dat moment plaatsvinden, zijn vooral bedoeld om de overlevingskansen van de foetus te behouden. Deze aanpassingen bestaan uit veranderingen in de automatische programmering van de groei en ontwikkeling van organen, maar ook in de programmering van regelsystemen die nodig zijn voor de stofwisseling en hormoonhuishouding.

Programmering beschrijft het proces waarbij invloeden van buitenaf in een gevoelige of kritische periode van de ontwikkeling langdurige of zelfs levenslange gevolgen hebben. Zo’n kritische periode is bijvoorbeeld de foetale fase, een fase die gekenmerkt wordt door een hoge groeisnelheid van organen. Orgaansystemen zijn in deze fase nog plastisch (vormbaar) en zo heel gevoelig voor de omgevingsinvloeden. Hierna volgt een periode gekenmerkt door verlies van plasticiteit en een onveranderbare werking.

Voorbeeld van minder gunstige omgevingsinvloeden

Een voorbeeld van minder gunstige omgevingsinvloeden tijdens de zwangerschap is een verminderde werking van de placenta, met als gevolg onvoldoende toevoer van de nodige voedingsstoffen naar de foetus. Hierop zal de foetus zich aanpassen, wat tot uiting komt in een afname in de groeisnelheid om zo de overlevingskansen op dat moment te behouden. Een zichtbare uiting hiervan is een lager geboortegewicht.

‘Developmental origins of health and disease hypothese’

Wetenschappelijk onderzoek heeft aangetoond dat de aangebrachte veranderingen in groei en stofwisseling om te overleven blijvend zijn voor de rest van het leven. Relaties tussen een laag geboortegewicht en chronische ziekten later in het leven zijn bekend geworden als de ‘Barker hypothese’, vernoemd naar de Britse onderzoeker-epidemioloog Professor David Barker, die deze relatie bij de mens als eerste beschreef en er bekendheid aan gaf.

Er is daarnaast toenemend bewijs dat er niet alleen tijdens de zwangerschap (prenataal), maar ook na de geboorte (postnataal) kritische perioden zijn waarin ongunstige omgevingsinvloeden belangrijke gevolgen kunnen hebben voor gezondheid op langere termijn. Tegenwoordig wordt daarom niet meer gesproken van de ‘Barker hypothese’, maar van de ‘developmental origins of health and disease hypothese’, de hypothese over factoren in de vroege ontwikkeling die ten grondslag liggen aan ziekte en gezondheid op latere leeftijd.

Het ‘metabool syndroom’

De aanpassingen als gevolg van de combinatie van prenatale en postnatale omstandigheden blijken de basis te vormen voor het ontwikkelen van risicofactoren voor chronische ziekten in de volwassenheid, zoals verstoorde insuline-glucose-huishouding, vetstofwisseling en verhoogde bloeddruk, die uiteindelijk kunnen leiden tot het ‘metabool syndroom’ dat geassocieerd is met een verhoogd risico op type 2 diabetes en hart- en vaatziekten. Ook levensstijl en overgewicht zijn determinanten van het metabool syndroom.

Dysmatuur geborenen

Wetenschappelijk onderzoek bij kinderen die dysmatuur geboren zijn toont aan dat de eerste signalen voor het ontwikkelen van chronische ziekten later in het leven, al meetbaar zijn in de vroege kinderjaren, zelfs vóór de puberteit. Met name bij die kinderen die in de eerste levensjaren een inhaalgroei in lengte en gewicht vertonen, zijn er al risicofactoren aantoonbaar voor het ontwikkelen van diabetes type 2 en hoge bloeddruk zonder dat dit nu al leidt tot klachten. Gesuggereerd wordt dat het lichaam – dat juist geprogrammeerd was om te overleven vanwege een tekort aan voedingstoffen – door de mismatch tussen prenatale ondervoeding en postnatale relatieve overvoeding, verantwoordelijk is voor het ontwikkelen van overgewicht, diabetes en hart- en vaatziekten.

Prematuur geborenen

In tegenstelling tot dysmature pasgeborenen, missen prematuren abrupt niet een deel, maar de volledige functie van de placenta en zo de veilige bescherming en omgeving van de baarmoeder. Dit terwijl het derde trimester van een zwangerschap juist enorm belangrijk is, onder meer voor de groei en ontwikkeling van organen. Na de geboorte wordt getracht de rol van de baarmoeder over te nemen om de groei en ontwikkeling zo goed mogelijk te laten doorlopen. De darmen, de longen, het centraal zenuwstelsel, maar ook bijvoorbeeld de stofwisseling zijn nog niet volgroeid en alles werkt bij prematuren net iets anders. In vergelijking met op tijd geboren zuigelingen groeien prematuren na de geboorte minder goed. Dit wordt deels verklaard door de beperkte mogelijkheden om direct na de geboorte voldoende voedingsstoffen toe te dienen, terwijl de vraag naar voedingsstoffen en energie dan juist verhoogd is. Niet alleen om problemen als infecties en ademhalingsproblemen aan te kunnen en te overleven, maar ook voor het behouden van een goede groei en ontwikkeling op de korte termijn, zonder nadelige effecten op de lange termijn.

Eerder wetenschappelijk onderzoek heeft aangetoond dat prematuur geboren kinderen die (een groot deel van) het derde trimester en dus de groei en ontwikkeling buiten de baarmoeder doormaken, een verhoogde kans hebben op het ontwikkelen van een later metabool syndroom. Recent onderzoek toont aan dat bij ex-prematuren op de gecorrigeerde leeftijd van twee jaar reeds een hoger aantal gevallen met deze metabole componenten zijn ten opzichte van andere leeftijdsgenootjes.

Ook bij prematuren speelt de mismatch tussen de aanvoer van essentiële voedingsstoffen in het derde trimester buiten de baarmoeder en de voeding die ze ontvangen na ontslag naar huis een essentiële rol. Het voorkómen van deze mismatch blijkt een grote uitdaging voor neonatologen. Nog steeds ontwikkelen veel prematuren direct na de geboorte een groeivertraging, die vaak gevolgd wordt door een fase van versnelde groei na de uitgerekende geboortedatum.

Voeding

Kennis van voeding is essentieel. Naast de samenstelling van energierijke voeding blijkt dat niet alleen het moment waarop met deze voeding gestart wordt, maar ook de duur van de energierijke voeding van invloed is op de groei en de lichaamssamenstelling voor de korte én langere termijn. De gevolgen van het groeipatroon in de fase voor én na de geboorte kunnen zich namelijk uitstrekken tot de volwassen leeftijd. Het is daarom het streven om al heel vroeg – tijdens de postnatale zorg en behandeling in het ziekenhuis – het tekort aan essentiële voedingsstoffen zoveel mogelijk te voorkómen. Echter, tot op heden is gebleken dat deze tekorten, evenals de genoemde groeivertraging na de geboorte tijdens de ziekenhuisopname, niet worden voorkómen.

Recent onderzoek heeft aangetoond dat aangepaste voeding na ontslag (‘postdischarge’ voeding) een speciale plaats verdient binnen het voedingsbeleid voor prematuren. Deze voeding wordt gegeven om de groei, de lichaamssamenstelling inclusief de botaanmaak zodanig te verbeteren, dat de kans op het metabool syndroom en gevolgen op de lange termijn zoveel mogelijk wordt beperkt.

Dit voedingsonderzoek werd uitgevoerd bij 150 prematuren geboren na een zwangerschapsduur van 32 weken of minder, en/of geboren met een geboortegewicht van 1500 gram of minder. Tussen de à terme leeftijd en de gecorrigeerde leeftijd van zes maanden werden deze prematuren met ‘postdischarge’ voeding, met standaard voeding voor à terme zuigelingen, óf met moedermelk gevoed. De ‘postdischarge’ voeding bevatte evenveel calorieën, maar meer eiwitten en mineralen dan de standaardvoeding. Eerder is aangetoond dat meer eiwit een positief effect heeft op de hersenontwikkeling. In dit onderzoek werd naast de hersenontwikkeling, de groei en de lichaamssamenstelling, inclusief de botaanmaak van deze prematuren tijdens het eerste half jaar onderzocht. Met deze ‘postdischarge’ voeding kregen de ex-prematuren dus een hogere eiwitinname ten opzichte van de anderen. Zij lieten een vergelijkbare groei zien, maar met minder vettoename dan prematuren die standaard voeding of moedermelk kregen.

De ‘postdischarge’ voeding verbeterde ook de botaanmaak van prematuren. Deze verbetering was onafhankelijk van de toename in gewicht en lengte. De verbeterde botaanmaak heeft mogelijk een gunstig effect op de botmassa op volwassen leeftijd. Dit laatste zou kunnen leiden tot een verminderd risico op osteoporose op latere leeftijd.

Conclusie

Prenatale en vroeg postnatale groei en ontwikkeling zijn belangrijk voor de groei, de lichaamssamenstelling van prematuren en dysmaturen op de korte én de lange termijn. Een hogere inname van eiwitten is, naast de invloed op de groei, ook van invloed op de ontwikkeling van de lichaamssamenstelling en op de botaanmaak. Dit zal uiteindelijk – naast een goede levensstijl in de kinder- en tienerjaren – een gunstig effect kunnen hebben. Niet alleen op de hersenontwikkeling, maar ook op het voorkómen van overgewicht, osteoporose en hart- en vaatziekten op latere leeftijd.

Reacties

reacties

Voor ouders

Heb je of krijg je binnenkort een kindje dat op afdeling Neonatologie of een NICU wordt opgenomen? Je staat er niet alleen voor!

lees meer

Voor familie en vrienden

Een kraamvisite in het ziekenhuis gaat anders dan je gewend bent. We geven je graag wat tips en kadoideeën.

lees meer

Voor professionals

We bundelen onze krachten met zorgverleners in het Neokeurmerk. Hiermee maakt je ziekenhuis of afdeling inzichtelijk hoe hoog de kwaliteit van zorg is. Bezoek de speciale website voor meer informatie.

lees meer
Donatiebedrag in €:
0