Beste Zuster Anna,

Als ik de foto’s bekijk van de eerste weken van mijn kind, bloedt mijn hart als ik zie hoe hij erbij ligt. Plat op zijn rug. Zonder iets van ondersteuning om hem heen. Felle lampen boven zijn hoofd. Niets waaraan hij zich kan vastgrijpen om zichzelf te reguleren. Zelfregulatie, prikkelbeperking en ontwikkelingsgerichte zorg, dat zijn termen die ik pas later leerde. Maar toen was het voor mijn baby al te laat.

Had ik maar geweten wat ik nu weet. Dan had ik een hoes over de couveuse gelegd. Dan had ik hem een knuffeltje gegeven om vast te houden. Dan had ik mijn hand over zijn ogen gelegd als zijn maskertje onder de blauwe lamp even af ging. Dan had ik het zeker gelaten om luiers, verschoningsdoekjes en de thermometer op de couveuse te leggen. Dan had ik misschien niet toegestaan dat mijn baby door de laboratoriummedewerker tijdens zijn slaap werd opgepakt en op een kussen werd gelegd voor zijn hielprik.

Ontwikkelingsgerichte zorg

Had ik maar een verpleegkundige gehad die me had gewezen op de voorkeuren van mijn kind. Wist ik veel dat wanneer hij met zijn hoofd als een hoepel achterover tegen mijn borst lag, dat niet was omdat hij dat lekker vond, maar omdat hij niet meer terug kon? De term overstrekken kende ik niet. En die armen die hij wijd spreidde als hij werd opgetild, daarvan werd ik me later op filmpjes pas bewust.

Zo’n boekje die nu in sommige ziekenhuizen aan ouders wordt gegeven, waarin de lichaamshoudingen van baby’s worden verklaard, dat had ik wel willen hebben. Maar nog liever had ik een zuster gehad die me tijdens het contact met mijn zoon had gewezen op zijn reacties op de omgeving en op mij. Een zuster die mijn kind had gezien als individu met speciale gewoonten en wensen. En dat zodanig had verwerkt, dat het hele zorgteam daarvan op de hoogte was geweest. Dus niet ergens verstopt opgeschreven in een rapportage, maar duidelijk zichtbaar in het zorgplan of bij de couveuse.

Ik vraag me soms af: als de eerste periode van het leven van onze zoon – die hij eigenlijk nog begrensd en zonder veel geluid en licht in mijn buik had moeten doorbrengen – meer gericht was geweest op zijn ontwikkeling, zou hij dan minder overprikkeld zijn geweest in de eerste twee jaar van zijn leven? Zou hij dan misschien minder schrikkerig zijn geweest?

Op gevoel heb ik thuis wel wat goedgemaakt. Dagen lang lagen wij samen in stilte op de bank met de gordijnen een beetje dicht. Ook toen hij groter was, hoefde hij van ons in de drukte niet bij mij vandaan. Ook al werd hij vaak uitgenodigd om te komen spelen of bij iemand anders op schoot te komen zitten. Het was voor onze zoon al snel te veel en dat begrepen wij.

Laatst zag ik een presentatie over te vroeg geboren baby’s die in een draagdoek werden gedragen*· Dat sprak me erg aan omdat ik je op die manier na je ontslag uit het ziekenhuis nog een tijdje gemakkelijk had kunnen beschermen tegen de drukke buitenwereld. Ik wist het niet, maar gun alle ouders, en daarmee ook verpleegkundigen, meer kennis over ontwikkelingsgerichte zorg. Bij dezen.

Beste MoeDor,

Ontwikkelingsgerichte zorg (OGZ) is een nieuwe term voor oude inzichten. In alle jaren dat ik als verpleegkundige met jonge kinderen werk, is er aandacht voor de ontwikkeling van het jonge lijf en de hersenen. Het eerste dat ik me herinner, is dat ik leerde dat een baby niet mocht huilen. Oude inzichten zeiden dat huilen goed was voor de longen. Ja, het is uiteraard nog steeds een welkome eerste levensactie, zodat de samengedrukte longblaasjes zich na de geboorte vullen met lucht! Maar na de eerste schreeuw was het beter om een kindje niet te laten huilen. De meningen waren verdeeld: “Je kunt een baby niet verwennen” tegenover “Even huilen is gezond.”

De hoofdzuster van destijds riep ons als verpleegkundigen op het matje wanneer ze ontdekte dat we langs een huilende baby liepen zonder te troosten. ‘Bobath-therapie’ was toen de gouden standaard: baby’s konden beter in een emmer worden gebaad, in ronde houding worden opgepakt en nooit aan de beentjes worden opgetild tijdens verluieren. Armpjes moest je door het mouwtje duwen en niet trekken. In de wieg moest je baby’s schoon en strak instoppen. Het liggen op schapenvachten bevorderde de veilige ronde houding en we knutselden hangmatten in wiegjes en couveuses om het slingerende gevoel van ‘in de buik’ na te bootsen.

Ontwikkelingsgerichte zorg

We waren heel bewust bezig met iets wat nog geen naam had. We wisten niet veel over pijn, het gehoor en de prikkels van praten en aanraken bij pasgeborenen. Het kangoeroeën was in opmars en we geloofden zeker dat dat goed was. Vooral voor de ouders, want het nut voor het kind werd nog onderkend. Dikwijls werd de afweging gemaakt tussen de negatieve effecten van het kind uit te couveuse halen met bijbehorende toeters en bellen, en het belang van de ouders. Dat het van vitaal belang was voor het kind wisten we niet…

Nu zijn we gelukkig wijzer en heeft dat wat we deels al deden andere namen: NIDCAP en OGZ.

Inmiddels is er meer en meer bekend over de ontwikkeling van de hersenen bij pasgeborenen.

In de eerste weken moet het fundament voor de latere ontwikkeling worden gelegd. Als dat zwak is of scheef, dan kan de ontwikkeling niet optimaal verlopen. Daar zal het kind later lichamelijk of in het gedrag hinder van kunnen ondervinden. Zo’n fundament vormt zich met veiligheid; het veilige en stressarme gevoel dat het kind ervaart zodat hersenen zich optimaal kunnen ontwikkelen. Maar ja, hoe kan dat samengaan met alles wat het kind op de couveuseafdeling moet ondergaan?

Voor ons verpleegkundigen is dat de uitdaging. Elke handeling bewust uitvoeren, dat is de rode draad. Niet elke verpleegkundige heeft dat in zijn systeem zitten. Vooral jonge verpleegkundigen moeten dit echt aanleren. Maar wanneer je alle handelingen bewust uitvoert en je realiseert welk effect je handeling heeft, geef je het kindje eigenlijk al ontwikkelingsgerichte zorg.

Geen sympathie maar empathie! Dus voel wat het kind voelt, probeer je te verplaatsen. Je wilt niet wakker worden gemaakt om geprikt te worden, geen fel licht als je wilt slapen, geen pijn zonder troost, en juist veel lieve zachte woordjes in plaats van piepende infuuspompen. Je wilt geen twintig paar handen aan je lijf, die – goedbedoeld – altijd anders aanvoelen dan die twee paar die je elke dag voelt en gaat herkennen (die van papa en mama). En je wilt ook niet van hand tot hand gaan tijdens de kraamvisite…

Als verpleegkundigen proberen we ouders bewust te maken van het belang van het fundament waarop het kind zijn groei kan bouwen. Welke lichaamstaal laat hun kind zien? Wanneer wordt het moe? Een flesje drinken in zijligging is misschien voor ouders minder knus, maar kijk eens hoe heerlijk het is als het kindje zich niet verslikt. Hoe ligt het lekker? Hoe belangrijk is troost? Niet alleen tijdens een ingreep, maar vooral erna. Denk maar aan jezelf. Het is altijd het moment ná iets ingrijpend dat je staat te trillen op je benen en een glaasje water nodig hebt om bij te komen. We kunnen de pijn en het ongemak niet voorkomen, maar we kunnen het wel verzachten. En we hopen dat op onze zorgvuldig gestorte fundamenten prachtige kinderen gaan groeien!

Reacties

reacties

Voor ouders

Heb je of krijg je binnenkort een kindje dat op afdeling Neonatologie of een NICU wordt opgenomen? Je staat er niet alleen voor!

lees meer

Voor familie en vrienden

Een kraamvisite in het ziekenhuis gaat anders dan je gewend bent. We geven je graag wat tips en kadoideeën.

lees meer

Voor professionals

We bundelen onze krachten met zorgverleners in het Neokeurmerk. Hiermee maakt je ziekenhuis of afdeling inzichtelijk hoe hoog de kwaliteit van zorg is. Bezoek de speciale website voor meer informatie.

lees meer
Donatiebedrag in €:
0