Voor leerkrachten en personeel in kinderopvang

Alle ouders willen dat hun kind op een plek terecht komt waar hij gelukkig kan worden, ook ouders van te vroeg geboren kinderen. Daarvoor heeft een kind ondersteuning nodig op een manier die hem helpt zijn mogelijkheden te ontwikkelen. En die ondersteuning van het kind kan heel divers zijn: het ene kind moet worden aangemoedigd, een ander kind juist afgeremd. En dat geldt in grote mate voor couveusekinderen: het ene couveusekind is het andere niet, de gevolgen variëren van ‘geen’ tot ‘uitermate complex’.

In Nederland is het beleid om baby’s die te vroeg (prematuur) geboren worden na een zwangerschap van 24 weken of langer, te behandelen, maar bij een zo vroege geboorte zal ongeveer de helft overlijden. Bij de 25-wekers ligt de overlevingskans al een stuk hoger en van de 26-wekers overleeft 90%.

Couveusekinderen (te vroeg, te klein of ziek geborenen), kunnen te maken krijgen met heel uiteenlopende problemen. Vooropgesteld, grofweg ongeveer een kwart houdt niets aan deze moeilijke periode van vlak na de geboorte over, die ontwikkelen zich normaal en niets herinnert aan een valse start. Ongeveer 10% van de te vroeg geboren kinderen heeft ernstige problemen: is blind of ernstig slechtziend, doof of ernstig slechthorend, heeft ernstige motorische handicaps of verstandelijke problemen, of een combinatie hiervan. De rest, dat is dus twee-derde van de prematuur geboren kinderen zit daar ergens tussenin. Ernstige beperkingen worden meestal voor de tweede verjaardag ontdekt, maar juist de kleinere beperkingen komen vaak pas veel later aan het licht. Naarmate de kinderen ouder worden en er meer eisen aan ze gesteld worden, openbaren zich soms meer problemen.

Soorten problemen

Er zijn kinderen die problemen met de fijne en/of grove motoriek. Of problemen door een wat lager IQ. Kinderen die slecht zien, of slecht horen. Een bril of gehoorapparaat helpt niet als de oorzaal in de hersenen ligt en niet in het oor of oog.

Kinderen die héél vaak ziek of verkouden zijn, die alle rondwarende virusjes oppikken. Slecht eten en/of slapen, en daardoor niet goed groeien of bijvoorbeeld minder energie hebben.

Kinderen die moeilijk zindelijk worden. Kinderen met hechtingsproblemen, doordat ze de eerste maanden van hun leven van hun ouders gescheiden zijn geweest. Die zich niet zo gedragen als andere kinderen, bijvoorbeeld snel ruzie zoeken of die in hun gedrag veel jonger zijn dan hun kalenderleeftijd aangeeft.

Die druk zijn of concentratieproblemen hebben. Die in de groei achterblijven. En deze ‘opsomming’ is zeer zeker niet volledig! Daarnaast moet je er rekening mee houden dat een kind een combinatie kan hebben van dit soort problemen en beperkingen, sterker nog: soms zijn ze juist voor op het ene gebied en blijven op een of meerdere andere gebieden achter. Daarbij kun je ook nog bedenken dat het ene probleem het andere kan veroorzaken: een kind dat bijvoorbeeld traag is, kan misschien moeilijker vriendjes maken.

Oorzaken

Wat valt er te zeggen over de oorzaak? Veel problemen zijn  terug te voeren op biologische onrijpheid. Het is ook de letterlijke betekenis van het woord ‘pre-matuur’. Als een kind geboren wordt na een zwangerschap van pakweg 6 maanden, is alles in zijn lijfje aangelegd, maar het moet nog rijpen. Longen, zenuwstelsel, hersenen, het hele maag-darmkanaal, zijn afweer tegen ziektes van buitenaf…  Een kind wordt in de couveuse gelegd  en dat is toch anders dan het zweven in het vruchtwater:  huid en spieren zijn hier niet op berekend. Daarnaast krijgt het kind te maken met agressieve behandelingen: slangetjes in zijn neusje, pleisters, prikken, infusen. Licht en geluid zonder de demping van de buikwand van de moeder. Dag- en nachtritme. Steeds andere verzorgers. Ouders die komen en weer weggaan, waardoor het kind niet leert zich te hechten. Niets is natuurlijk, niets gaat vanzelf.

De longen, bijvoorbeeld, zijn er nog helemaal niet aan toe om te ademen. Als het even kan heeft de moeder voor de bevalling longrijpingsmedicijnen gehad, maar die moeten tijd hebben om te kunnen inwerken. Vaak moet het kind aan de beademing worden gelegd om een kans te hebben om te overleven. Het maag-darmstelsel functioneert ook nog niet: een kind in de baarmoeder krijgt zijn voeding via de navelstreng.  De hersenen zijn bij 26 weken wel aangelegd, maar nog volledig glad. Als je je dat realiseert, is het een wonder dat alles functioneert.

Eindelijk thuis

Ook als het kind eenmaal thuis is, soms na maanden in het ziekenhuis te hebben gelegen, gaat het niet vanzelf. Doordat het kind veel heeft meegemaakt, is het voor hem moeilijk zich aan te passen aan het ritme van thuis. Daardoor zie je kinderen die slecht drinken, slecht slapen, onrustig zijn. Veel kinderen zijn zeer vatbaar voor allerlei virusjes. En vaak hebben ze heel wat in te halen, in groei en ontwikkeling, wat niet altijd helemaal lukt: een reden waarom veel kinderen wat kleiner blijven dan gemiddeld.

Je ziet ouders die ongerust zijn vanaf de thuiskomst van hun kind:  hoe is zijn ontwikkeling? Hoe is zijn groei? Hoort en ziet hij goed? Bereikt hij zijn mijlpalen binnen de daarvoor gestelde tijd? Vaak is dat niet, of niet helemaal het geval en dat wakkert de ongerustheid aan. Lastig is dat ze niet goed kunnen vergelijken met andere kinderen in hun omgeving, integendeel, andere ouders begrijpen hun bezorgdheid niet goed: het is nu toch een ‘normaal’ kind? Ouders voelen zich vaak onbegrepen, terwijl ze het allemaal zo graag goed zouden willen doen. Dit kind heeft al zoveel meer meegemaakt dan andere kinderen.

Gedurende de eerste twee jaar wordt er voor de groei gecorrigeerd, dat wil zeggen dat de tijd dat een kind te vroeg geboren is, afgetrokken voor de kalenderleeftijd. Er wordt dus als het ware gerekend vanaf de ‘uitgerekende datum’, om te zien of het kind goed groeit, dan wel achterblijft, want niet alle kinderen halen in. Voor zijn ontwikkeling wordt vaak vier jaar gecorrigeerd. Maar je kunt je natuurlijk wel afvragen of dat voldoende is. Een kind dat in augustus geboren is, maar in feite pas in november ‘uitgerekend’ was, is eigenlijk drie maanden jonger dan zijn klasgenoot die in augustus jarig is.

Wel of niet vertellen?

Voor veel ouders speelt de vraag of ze op school moeten vertellen over de slechte start van hun kind, een grote rol. Soms moeten ze wel, als er duidelijke problemen zijn, bijvoorbeeld als het kind fysiotherapie nodig heeft. Ouders willen het liefst dat hun kind een gewone en ongecompliceerde start maakt in een nieuwe omgeving, zonder dat het meteen een etiket opgeplakt krijgt, zonder een leerkracht die hun kind extra in de gaten houdt en zonder dat alles waarin het kind afwijkt van de norm op de vroeggeboorte geschoven wordt.

Al die extra aandacht krijgt het kind al meer dan genoeg door de vele medische controles door kinderarts en andere specialisten, door consultatiebureau, door follow-up onderzoek, doordat ze veel vaker fysiotherapie of andere therapie hebben. En vaak krijgen ze ook extra aandacht van de eigen ouders die zelf extra alert zijn, en die voortdurend vergelijken met andere op-tijd-geboren kinderen!

Van de andere kant willen leerkrachten wel graag op de hoogte zijn van de achtergrond van het kind, omdat ze denken dat ze er dan rekening mee kunnen houden. Maar de vraag is dan natuurlijk wel of een leerkracht weet waar hij dan rekening mee moet houden? Want hoe weet hij  wat er aan de hand kan zijn en hoe hij daarop in kan spelen? Heeft het kind extra aandacht nodig of is het beter juist afwachtend te zijn? Natuurlijk is deze wetenschap een extra zorg, ook voor de leerkracht, maar toch is het goed niet bovenop het kind te gaan zitten. Als je te dicht op een kind zit, heeft hij simpelweg geen ruimte om zich te ontwikkelen.

Afstemmen

Ouders en leerkrachten zouden constructief moeten samenwerken om zo te komen tot een betere afstemming op de onderwijsbehoeften van het kind. Je zou kunnen zeggen dat het achterhouden van informatie door de ouders niet in het belang is van het kind, omdat leerkrachten dan niet in staat zijn om op een juiste manier om te gaan met dit kind. Dit sluit ook aan op de visie Handelingsgericht werken”  (literatuur: Pameijer, Van Beukering & De Lange). Nog lang niet alle scholen werken volgens deze richtlijnen, maar het is wel sterk in opkomst.

Belangrijk is een professionele houding van de leerkracht, in veel gevallen zal het hier gaan om omgaan met overbezorgde/overbeschermende ouders. Probeer de bezorgdheid te begrijpen, denk mee. Geef een realistisch beeld van de mogelijkheden en beperkingen van het kind.

Ouders (en kind) zijn natuurlijk altijd in eerste instantie afhankelijk van de individuele leerkracht, maar een school zou er voor moeten zorgen dat leerkrachten in staat zijn hier professioneel mee om te gaan.

Passend onderwijs

Als een kind een aantoonbare handicap of beperking heeft, is het natuurlijk mogelijk om via de ouders een LGB (Leerlinggebonden Budget) aan te vragen om het mogelijk te maken deze leerling extra ondersteuning te geven. Een moeilijkheid hier is een combinatie van kleinere problemen, die stuk voor stuk niet groot genoeg zijn om dit toe te kennen. Scholen zijn vanaf 1 augustus 2013 verplicht een passende onderwijsplek te bieden aan leerlingen die extra ondersteuning nodig hebben, en dan zal de huidige ‘rugzak’ verdwijnen. Wat dat voor couveusekinderen en hun complexe problemen zal betekenen is afwachten.

Ouders

Het helpt als de leerkracht of intern begeleider kennis heeft van wat problemen kunnen zijn bij couveusekinderen, en dan niet alleen op leergebied, maar ook de overige gevolgen die een vroeggeboorte kan hebben, zoals op sociaal of fysiek gebied. Bijzonder voor couveusekinderen is dat ze vaak te maken hebben met een scala van problemen, een beetje dit en een beetje dat. Daarvoor is in de eerste plaats een open communicatie met ouders nodig: een leerkracht die zijn waarnemingen bespreekt met de ouders.

En dat kunnen ouders zijn die soms ook niet goed weten wat goed is, ouders die misschien overbezorgd zijn, of advies van de leerkracht of andere deskundigen nodig hebben, of juist ouders die het precies weten. Maar ouders zijn natuurlijk wel de mensen die de meeste ervaring hebben met dit kind. Het is niet altijd makkelijk daarmee om te gaan! Het is goed je te realiseren dat deze ouders al een lange weg gelopen hebben met hun kind, zij zijn de eerste en belangrijkste deskundigen als het over dit kind gaat.

Vaak kun je aan ouders vragen hoe zij met bepaalde situaties omgaan. Stel de individuele ontwikkeling van dit kind centraal. Het etiket ‘couveusekind’ is ondergeschikt aan het individuele kind, maar kan bij het beoordelen van afwijkende ontwikkeling wel de richting van het handelen bepalen bij de leerkracht. Er is veel kennis rondom prematuren, maak daar gebruik van en ga zo nodig over tot actie. De kennis die al bestaat behoedt leerkrachten voor beoordelingsfouten. Ouders zijn de ervaringsdeskundigen, leerkrachten de onderwijsprofessionals.

Een jaartje langer kleuteren?

Door de combinatie van kleine ‘probleempjes’ valt mogelijk niet op dat er echt iets aan de hand is. Het geheel zou gemakkelijk geïnterpreteerd kunnen worden als ‘een zwakke leerling’. Vaak wordt voorgesteld om een jaartje langer te kleuteren, maar je kunt je afvragen of de problemen door dat extra jaar verminderen. Ook in het geval van sociaal-emotionele ontwikkeling is het belangrijk op tijd te bekijken wat er gedaan kan worden. Wat kun je als leerkracht bieden om de geconstateerde problemen aan te pakken?

Het is dus belangrijk niet te snel de conclusie te trekken dat het gewoon een jonge kleuter is, maar kijken of er met kleine handelingen vooruitgang geboekt kan worden. Door bijvoorbeeld motorische problemen of achterblijven kan het moeilijker zijn met vriendjes te spelen. Of als het kind hechtingsproblemen heeft,  zal hij meer tijd nodig hebben om zich open te stellen voor de leerkracht of andere kinderen. Dit alles zegt niets over de intelligentie van het kind. Juist hier is het ook belangrijk open te communiceren met ouders: wat ziet de leerkracht, wat zien ouders, waar wordt al aan gewerkt vanuit thuissituatie, wat kan het kind aan? Bij tijdige signalering kan de leerkracht ouders adviseren om gebruik te maken van bijvoorbeeld fysiotherapie, logopedie of mogelijk gebruik van adviezen uit het speciaal onderwijs of de remedial teacher.

* Via de kinderarts kunnen diverse psychologische testen worden aangevraagd die wordt uitgevoerd door een jeugdpsycholoog of orthopedagoog

Bronnen

  • POPS-onderzoek
  • Folders van de VOC:  ‘Leren leren’ en ‘Eens een couveusekind, altijd een zorgenkind?
  • Pameijer N, Van Beukering T & De Lange S (2011) Handelingsgericht werken: een handreiking voor het schoolteam, Leuven – Den Haag: Acco
  • Auteur: Zita van der Heyden

Voor ouders

Heb je of krijg je binnenkort een kindje dat op afdeling Neonatologie of een NICU wordt opgenomen? Je staat er niet alleen voor!

lees meer

Voor familie en vrienden

Een kraamvisite in het ziekenhuis gaat anders dan je gewend bent. We geven je graag wat tips en kadoideeën.

lees meer

Voor professionals

We bundelen onze krachten met zorgverleners in het Neokeurmerk. Hiermee maakt je ziekenhuis of afdeling inzichtelijk hoe hoog de kwaliteit van zorg is. Bezoek de speciale website voor meer informatie.

lees meer
0